In Nederland is meer bekend over gezonde leefstijl dan ooit. We weten het allemaal. Minder suiker, meer bewegen, beter slapen, minder stress. De kennis over gezond leven is nog nooit zó groot geweest. En toch blijven de wachtkamers vol. Het aantal mensen met diabetes en overgewicht stijgt door. En we slapen gemiddeld slechter dan ooit. Als we het allemaal wéten, waarom lukt het dan zo moeilijk om ernaar te handelen?
Waarom kennis over leefstijl niet genoeg is
Het idee dat mensen rationele keuzes maken op basis van informatie is hardnekkig, maar onjuist. Gedrag is een samenspel van gewoontes, emoties, sociale context en beloningsmechanismen. Neem roken, te veel eten of te weinig bewegen: deze gedragingen worden vaak in stand gehouden door automatische patronen. Zelfs wie precies weet wat gezond is, handelt daar vaak niet naar. Tussen weten en doen gaapt een grote kloof. Gedragswetenschappelijk onderzoek laat zien dat motivatie maar één van de factoren is die gedrag bepalen. Minstens zo belangrijk zijn de omgeving, de sociale norm, de timing en de mate waarin iemand zich competent voelt om te veranderen. Preventie die zich uitsluitend richt op kennis of motivatie mist daarom vaak effect.
Gedrag is contextafhankelijk
Gedrag vindt nooit in een vacuüm plaats. De omgeving bepaalt in hoge mate welke keuzes we maken.
- Een wijk met weinig groen nodigt niet uit tot wandelen.
- Een supermarkt vol aanbiedingen voor snacks en frisdrank stimuleert overconsumptie en behoort sinds kort tot één van de vele eetdramlocaties.
- Een kantoortuin met continue prikkels maakt ontspannen werken moeilijk en maakt je over het algemeen zitverslaafd.
Daarnaast doen we neerbuigend over mensen die ‘het maar niet volhouden’. Maar gedrag dat ongezond lijkt, wordt niet alleen gefaciliteerd door de omgeving maar heeft bijna altijd een reden. Wie ’s avonds een glas wijn drinkt, zoekt bijvoorbeeld ontspanning en wie de sportschool overslaat, is wellicht moe door een vol hoofd. Dat gedrag kun je niet proberen te bestrijden met alleen kennis. Je moet begrijpen waar het vandaan komt. Langdurige gedragsverandering begint dan ook bij inzicht en begrip: wat levert het gedrag iemand op. Of anders gezegd, welk probleem lost bijvoorbeeld een glas wijn op? Of een avond Netflixen op de bank? En wat zou een gezonder alternatief kunnen zijn dat dezelfde behoefte vervult?
Tussen weten en doen gaapt een grote kloof
Wie gedrag wil veranderen, heeft drie dingen nodig: bewustwording, actie en volhouden. De eerste stap lukt vaak wel. We lezen iets over de risico’s van overgewicht, zien een documentaire over dementie, schrikken wanneer onze bloeddruk wordt gemeten. We zijn even gemotiveerd op deze zogenaamde ‘Teachable Moments’. De tweede stap, in actie komen, vraagt al meer: plannen maken, het gedrag oefenen, tijd ervoor vrijmaken. Maar de derde stap, het volhouden, is het moeilijkst van allemaal. Na de vakantie verdwijnt het wandelen, na de stressvolle week komt de wijn terug, na een dip in motivatie zakt het gezonde ritme weer weg. Toch is dat niet per se een mislukking. Terugval hoort er namelijk bij. Gedrag is zelden een rechte lijn naar gewoontegedrag waar je niet meer over na hoeft te denken. Het is eerder een kronkelpad van proberen, falen, leren en opnieuw beginnen.
Gedrag verandert zelden door grote beslissingen, maar door kleine stapjes die leiden tot het ervaren van succes. Een wandeling die goed voelt. Of een nacht waarin je beter slaapt. Die kleine successen zijn de bouwstenen van duurzame verandering. Ze versterken het gevoel van zelfvertrouwen, autonomie en competentie. En dat zijn precies de factoren die motivatie levend houden. De meeste preventieprogramma’s blijven echter steken bij stap één. Ze vergroten kennis of bewustzijn, maar bieden weinig ondersteuning bij de uitvoering of het vasthouden van gedrag. Juist daar ligt de grootste winst.
De rol van zelfregulatie
Motivatie alleen is dus niet genoeg. Je kunt gemotiveerd zijn en tóch niet in actie komen, omdat het je bijvoorbeeld niet lukt om gedrag te plannen, te monitoren of te evalueren. Daarom is zelfregulatie zo belangrijk. Zelfregulatie is het vermogen om jezelf doelen te stellen, vorderingen bij te houden, te reflecteren en bij te sturen. Veel mensen hebben moeite om gezonde routines op te bouwen, niet omdat ze niet willen, maar omdat ze het zelfvertrouwen niet hebben of niet weten hoe ze moeten omgaan met obstakels, tijdgebrek of sociale druk. Zelfregulatie is geen talent, het is een vaardigheid die je kunt ontwikkelen. En precies daar komt de menselijke begeleiding om de hoek kijken. Preventie die zich richt op het versterken van zelfregulatie, via coaching, planning, reflectie of sociale steun, heeft daarom meer kans op langdurig effect dan preventie die enkel informeert. De toekomst van preventie ligt niet in méér theoretische kennis of méér beleid dat is bedacht door mensen die nog nooit zelf de wijk in zijn getrokken
Preventie is een gezamenlijke verantwoordelijkheid
Beleid kan gezonde keuzes stimuleren. De overheid kan een suikertaks invoeren. Werkgevers kunnen vitaliteitsprogramma’s aanbieden. Scholen kunnen aandacht geven aan gezonde voeding. Een gezonde keuze moet de makkelijke keuze zijn en het nieuwe normaal worden. Maar uiteindelijk is gedrag iets persoonlijks. Iemand moet voor veel mensen de vertaalslag maken tussen ‘gezond leven’ als abstract ideaal en een gezonde leefstijl als haalbaar, dagelijks gedrag. Een leefstijlcoach* werkt precies op dat kruispunt: tussen kennis en gedrag, tussen beleid en mens. De leefstijlcoach begeleidt mensen bij het ontdekken wat voor hen werkt. Niet door te vertellen wat goed is, maar door samen te onderzoeken wat past. Door inzicht te geven in gewoontes, emoties en overtuigingen. Een effectieve leefstijlcoach geeft preventie de menselijke maat door een gesprek over drijfveren, obstakels en hoop. De leefstijlcoach leert mensen zichzelf te coachen. En dat is misschien wel de meest effectieve vorm van preventie die er bestaat.
De voorwaarde van leefstijlcoaching: kwaliteit en professionaliteit
Niet elke coach die ‘iets met leefstijl’ doet, kan deze rol vervullen. De kracht van leefstijlcoaching ligt in de combinatie van kennis, methodiek en reflectie. Dat betekent concreet:
- kennis van leefstijl, gezondheid en gedragsverandering
- inzicht in motivatie en zelfregulatie
- vaardigheid om theorie om te zetten in praktische begeleiding door het toepassen van interventie- en gedragsveranderingstechnieken
- en de bereidheid om te reflecteren en te blijven ontwikkelen
Om werkelijk bij te dragen aan preventie, moet de leefstijlcoach goed zijn opgeleid, evidence based werken en beschikken over een stevige basis in gedragswetenschap. Alleen dan kan leefstijlcoaching het verschil maken tussen een goed gesprek en echte, langdurige gedragsverandering.
Naar een volwassen preventiecultuur
De toekomst van preventie ligt niet in meer theoretische kennis of meer beleid dat is bedacht door mensen die nog nooit zelf de wijk in zijn getrokken. Het zit in beter begrijpen hoe mensen veranderen. In beleid dat rekening houdt met gedrag, in omgevingen die gezond gedrag mogelijk maken, en in professionals die mensen daarin kunnen begeleiden. De leefstijlcoach kan daarin een sleutelrol spelen. Niet als wondermiddel, maar als goed opgeleide professional die in de praktijk tussen de mensen staat. Die het gedrag begrijpt achter de cijfers. Preventie wordt veel effectiever als we de mens centraal zetten.
*Lees hier ook de leefstijlarts, praktijkondersteuner of andere (zorg)professional met de competenties van de leefstijlcoach
Het artikel is eerder gepubliceerd op Foodlog >>