Begin dit najaar in je eigen tuin
Waarom variatie in groen meer lijkt te doen dan de hoeveelheid groen
Mensen die groen wonen zijn gemiddeld gezonder. Maar tel je alleen vierkante meters groen, dan verdwijnt een deel van dat verband. De aanwijzingen wijzen een andere kant op: niet de hoeveelheid groen doet het werk, maar de variatie erin. Op 27 oktober geven we daarom samen met Lieke Willems van IPC Groene Ruimte het webinar Bomen tellen is niet genoeg.
De kortste weg naar meer variatie in groen ligt bij de meeste mensen achter het huis. Wie nu begint, oogst volgend jaar.
Bijna de helft van de Nederlandse tuin is steen
Centraal Beheer legde voor peiljaar 2022 de groenkaart van het RIVM, hoogtemetingen en infraroodluchtfoto’s over ongeveer vijf miljoen woningen met een tuin. Gemiddeld bestaat de Nederlandse tuin voor 46,5 procent uit verharding. Een flink deel van de rest is gazon.
Gazon is groen. Het is ook één soort, kort gehouden, zonder bloei, met een bodem die dichtgereden en uitgeput raakt. In de statistiek van de gemeente telt die tuin mee als groen. Voor je afweer stelt het weinig voor. Dat verschil tussen groen en gevarieerd groen is belangrijk. Dat is waar het onderzoek naar biodiversiteit en gezondheid over gaat.
Wat planten met je afweer doen
De redenering heet de biodiversiteitshypothese. Ze loopt in vier stappen.
Planten dragen bacteriën, elke soort net iets andere. Een bloeiende border met twintig soorten, een haag, een composthoop en een bodem vol wormen leveren samen een veel bredere bacteriegemeenschap op dan een strak gemaaid gazon. Vooral de gramnegatieve gammaproteobacteriën zitten op bovengrondse delen van bloeiende planten.
Die bacteriën komen op je huid en in je luchtwegen terecht. Niet doordat je ze eet, maar doordat je erin zit: wieden, spitten, snoeien, planten aanraken, stof inademen, kinderen die in de aarde graven.
Je afweer gebruikt dat contact om te leren. Een immuunsysteem moet niet alleen aanvallen, het moet vooral onderscheiden wat geen aanval verdient. Die rem heet immunologische tolerantie en wordt onderhouden door regulatoire T-cellen en door remmende boodschappers als IL-10 en TGF-bèta. Vergelijk het met een portier die alleen goed wordt door dagelijks veel verschillende mensen te zien. Ziet hij er weinig, dan gaat hij bij twijfel iedereen tegenhouden.
Zonder die oefening verschuift de balans richting overreactie. Dat is de route naar allergie, eczeem, astma en mogelijk ook naar laaggradige ontsteking.
Het onderzoek dat deze redenering op de kaart zette komt uit Finland. Ilkka Hanski en collega’s publiceerden in 2012 in PNAS dat jongeren met atopie minder inheemse bloeiende plantensoorten rond hun huis hadden en minder diverse gammaproteobacteriën op hun huid. De hoeveelheid Acinetobacter op de huid hing positief samen met de aanmaak van IL-10 in hun witte bloedcellen.
Een toetsbare voorspelling
Zo’n verband is nog geen oorzaak. De hypothese doet wel een harde voorspelling: verander de biodiversiteit van de omgeving en de huidflora en de immuunmarkers moeten meebewegen. Dat is te toetsen.
Aki Sinkkonen en Marja Roslund deden dat en publiceerden het in 2020 in Science Advances. Ze volgden 75 kinderen van drie tot vijf jaar op tien Finse kinderdagverblijven. Op vier daarvan werd het speelterrein bedekt met een laag bosbodem met dwergstruiken, bosbes, kraaihei en mossen, plus inheemse planten en een moestuinbak. Drie locaties hielden hun gewone plein, drie waren natuurgericht en gingen dagelijks het bos in. De kinderen speelden 28 dagen lang ongeveer anderhalf uur per dag buiten.
Na die vier weken was de gammaproteobacterie-gemeenschap op de huid van de interventiekinderen diverser. In hun bloed stegen TGF-bèta1 en het aandeel regulatoire T-cellen, en de verhouding tussen de ontstekingsremmende IL-10 en de ontstekingsbevorderende IL-17A verschoof de goede kant op. Hun microbioom begon te lijken op dat van de kinderen die elke dag het bos in gingen. Bij de kinderen op de onveranderde pleinen gebeurde dat niet. Vier weken zandbak met bosbodem deed meetbaar iets met de afweer van kleuters. De grond werd veranderd, niet het gedrag van de kinderen.
Wat kun jij hiermee?
Vier ingrepen die het meeste opleveren
Je hebt geen boerderij nodig om hier iets mee te doen. Een stuk gazon is genoeg. En het najaar is het beste moment, omdat de grond nog warm is en de wortels de hele winter doorgroeien.
- Vervang gras door eten en bloei. Vaste planten die je kunt oogsten, een paar fruitbomen of bessenstruiken, een kruidenhoek en inheemse drachtplanten voor bijen en zweefvliegen. Struiken en jonge bomen zonder pot, met kale wortels, gaan van november tot maart de grond in (als het niet vriest) en zijn een stuk goedkoper dan planten uit een pot. Plant nu ook stinzenbollen, want krokus en sneeuwklokje zijn in februari vaak de eerste stuifmeelbron in de straat.
- Bouw in lagen, zoals een bos. Bodembedekkers onderin, daarboven struiken, dan klimmers tegen schutting of muur, en waar het past een boom. Elke laag heeft een eigen microklimaat en trekt andere soorten. In een kleine stadstuin levert de verticale ruimte de meeste winst.
- Voed de bodem, niet de plant. Compost en mulch in plaats van kunstmest. Laat het blad liggen onder de struiken en laat uitgebloeide stengels tot maart staan, want daar overwinteren insecten in. Zaai kale grond in met een groenbemester. Een bodem met leven erin is de bacteriebron waar dit hele verhaal op rust.
- Vang regenwater op. Een regenton op de regenpijp, of een verlaagd stuk tuin waar het water in kan zakken. Veel gemeenten geven subsidie op het afkoppelen van de regenpijp, dus kijk even op de site van je eigen gemeente. Elke tegel die eruit gaat helpt twee kanten op: minder wateroverlast in de straat en meer bodem waar iets in kan groeien.
Gezondheidswinst is er niet voor iedereen
Het Finse onderzoek van 2012 is observationeel. Atopische jongeren wonen misschien in minder groene wijken om redenen die zelf al met gezondheid samenhangen, zoals inkomen, woningtype of roken in huis. De interventiestudie van 2020 is sterker, maar klein: 75 kinderen, tien locaties, vier weken. De uitkomstmaten zijn immuunmarkers en bacteriesamenstelling, geen ziekte. Niemand heeft laten zien dat die kinderen daardoor minder astma of eczeem kregen. Er loopt vervolgonderzoek, de harde uitkomsten zijn er nog niet.
Een tuin is bovendien geen vervanging voor groen in de wijk. Wie een tuin heeft, heeft meestal ook geld, ruimte en tijd. Juist de mensen bij wie de gezondheidswinst het grootst zou zijn, wonen vaker in een portiekflat zonder buitenruimte. En meer natuur brengt ook teken, wespen en meer pollen in het voorjaar.
Wat makkelijk telt, wordt gemeten
Toch is er iets systematisch aan de hand met hoe we groen beoordelen. Vierkante meters zijn makkelijk te tellen. Bomen zijn te tellen. Soortenrijkdom, bodemleven en bloei door het seizoen heen zijn dat niet. Dus staat in beleidsstukken hoeveel groen erbij komt en zelden hoe gevarieerd dat groen is. Een gemeente die honderd bomen van dezelfde soort plant, scoort in haar eigen rapportage prima.
Groen als onderwerp in de coaching en spreekkamer
Je hoeft als leefstijlcoach of leefstijlarts geen ecoloog te worden. Vraag in een leefstijlgesprek eens naar de tuin of het balkon, zoals je ook naar bewegen en slapen vraagt. Waar zit iemand buiten, hoe vaak, en hoe vaak zit iemand met zijn handen in de aarde.
Dan heb je meteen een interventie die zelden weerstand oproept. Anders dan afvallen of stoppen met roken is een gesprek over tuinieren laagdrempelig. Het levert bewegen op, daglicht, contact met bodemleven en voor de meeste mensen ook plezier. Dat is voor een leefstijlcoach een gunstige combinatie.
Webinar op 27 oktober
Bomen tellen is niet genoeg- Wat de gemeente plant, merkt de huisarts.
Dinsdag 27 oktober 2026
van 19:30 tot 21:30 uur in Zoom,
met Lieke Willems van IPC Groene Ruimte.
Deelname is gratis en vol is vol.
Aanmelden >>